Elf makke schapen naar de slachtbank

 

Het was al bijna november en de eerste nachtvorst was al in de bodem getrokken. De velden van Sportclub Genemuiden waren die ochtend wit van de rijp en de kans op een wedstrijd was die dag verkeken want op het mededelingenbord in de haven van het stadje bleek dat alles was afgelast door een onzichtbare consul. Alles?

Nee, onze wedstrijd, die zaterdag uit in Biddinghuizen, ging gewoon door.

In de Flevopolder had een bleek zonnetje gezorgd voor een groene grasmat en we werden om twaalf uur verwacht bij BAS, de club van het dorp in de polder.

Het zou een verre reis worden. Meestal speelden we dichterbij, tegen Olympia ’28 uit Hasselt, of tegen DESZ uit Zwartsluis dat we via de veerpont over het Zwarte Water in een kwartier konden bereiken.

Die ochtend bleek er te weinig vervoer voor de voetballertjes uit C1

Een veeboer met bolknak en platte pet stelde zijn veewagen beschikbaar en daar gingen we, op weg naar Biddinghuizen.

We lagen in het stro van de oude DAF en schudden heen en weer op de Kamperzeedijk. Via Kampen reden we de polder in en na een eindeloze reis kwamen we aan op het veld van BAS.

Verbaasd keek men daar op van de elf schapen in het groenwit van de club die uit de laadbak zo het veld op liepen.

De tegenstanders waren in het roodwit en in de spits liep een jongen die er anders uitzag. Hij stootte af en toe wat kreten uit, kon pijlsnel rennen en bleek een geweldige midvoor die de ene na de andere goal maakte.

Wij waren zwaar geïmponeerd en verloren die middag kansloos met 13-0.

Of de lange vreemde reis er mee te maken had weet ik niet meer maar wanneer ik later met mijn ouders in de Taunus 12M door de Flevopolder op weg naar familie reed moest ik altijd aan die bonkige spits denken.

In het clublied van BAS zong men van een parel van de polder en van helden van het gras. Die jongen was de held die dag. En wij waren de schapen die zich eenvoudig naar de slachtbank lieten leiden.

Arjen Boswijk, Groningen (oud Genemuidenaar)